In 2022 deed ik spontaan mee aan de schrijfwedstrijd voor jongeren genaamd Write Now!, die helaas inmiddels niet meer bestaat. Ik werd 3rde in de voorrondes-Zuid (ik kom oorspronkelijk uit Brabant!) en mocht met die plaatsing naar de finaledag in Rotterdam komen. Ik won niet, maar het was wel een ontzettende boost van m’n zelfvertrouwen; mijn schrijfwerk mag er écht zijn, en mensen waarderen het! Toch een soort overwinning, dus.
Voorrondetekst | Kurk
Anneke Lauwers bouwde haar kurkenboom in de laatste week van september 1992, wat dit verhaal zowel irrelevant maakt voor de moderne Zeitgeist, en tijdloos.
De benaming van de boom was overigens niet enkel artistieke keuze. De kurkenboom was een boom gemaakt van kurken en hij stond trots bij Anneke op zolder. Appartement 3B aan de Laurierlaan was niet hetzelfde zonder. Ze had een week aan de boom gewerkt; elke middag van 13:00 uur tot aan het avondeten, vanaf het moment dat ze de enorme berg kurken ontdekte.
José Lauwers, de dochter die in niets op haar moeder leek behalve hoe ze haar koffie dronk, had net de deur achter zich dicht getrokken. De eerste avond in appartement 3B; jaren geleden nu. Met haar kop munt-zoethout thee was Anneke een rondje door haar nieuwe plekje gaan lopen. Niet dat er ruimtes waren die ze niet al had gezien—het leren kennen van de ruimte blijft vrij cruciaal bij de aankoop van een nieuwe woning—maar ze was nog niet in haar keukentje of slaapkamer geweest sinds de hele zooi van háár was. Het hadden net zo goed volstrekt nieuwe kamers kunnen zijn. Alles leek net even anders te staan.
De trap naar de zolder kraakte als een gewonde zeehond en was steiler dan nodig; Anneke moest zich met een hand om elke leuning, stapje voor stapje, omhoog hijsen. Haar kopje thee bleef dampend achter op het gangkastje. De zolder rook zoals een zolder behoort te ruiken; muf en stoffig. Anneke onderdrukte een hoestbui en knipte op de tast het peertje boven haar hoofd aan.
De berg kurken kwam ongeveer tot haar knieën. Het zal een kurk of tien hebben gescheeld, maar het waren er in ieder geval een hele hoop. Een tel of twee kon Anneke enkel verbouwereerd naar het tafereel kijken. Er doen zich wel vaker verhalen de rondte van mensen die op allerlei verschrikkingen stuiten bij de aankoop van een nieuw appartement (denk nagelstriemen op een geblokkeerde deur of, nog veel erger; verschrikkelijk lelijke tegels onder de oude vloerbedekking) maar ze had nog nooit gehoord van iemand die zijn handvaardigheidsvoorraad achterliet.
“Breng ze naar de stort!” had José geroepen. Anneke vroeg zich regelmatig af waar het bij José mis was gegaan. De moeder, waarschijnlijk.
“Als ik ze ergens naartoe breng is het de kringloop. Of de school. Wie weet kunnen ze er nog wat mee.”
“Ja, want die willen vieze zolderkurken. Stort, mam.”
Anneke peinsde erover. ‘Zolderkurken’ klonk meer als de titel van een literaire roman waar ze niet intelligent genoeg voor was dan een bestaand iets. Ze wist dat José gelijk had. Dat er geen logische reden was om de kurken te houden. En toch. Die kurken horen ook bij dit huis, bedacht ze zich met een Bastogne koekje in haar hand en een vastberadenheid die ze al in tijden niet had gevoeld.
De komst—of beter gezegd de groei—van de boom uit het hele voorval was voor Anneke dan ook rete-logisch. De kurken mochten blijven, maar ze moest er wel iets mee. Net zoals ze iets moest met die lelijke kastjes in de keuken en met de zeurende hoofdpijn in haar rechterslaap. Daar moesten ook dingen mee op ten duur, maar eerst de kurken. Een tube secondelijm, een paar ijsstokjes om de lijm mee uit te spreiden en de verzamelde hits van de Blues Brothers maakten de middagen die Anneke aan de boom werkten dan ook een bijzonder productief én vermakelijk tijdverdrijf. Op de derde dag begon ze zelfs te merken dat ze haar
ochtendkruiswoordpuzzel aan het afraffelen was, om maar sneller terug te kunnen naar de boom.
“Bijna vier alweer jij, jeetje!” prevelde Anneke tegen het kurken gevaarte terwijl ze er een spinnenweb vanaf stofte. Ze hadden me van tevoren wél mogen vertellen hoeveel stof kurken vangen, bedacht ze met een zachte glimlach.
De tweede volle ketel van die dag zette net een fluit in toen José de folders op tafel legde. Anneke reikte ernaar met interesse; ze wilde altijd horen wat haar dochter te zeggen had. Op de folders waren foto’s te zien van pittoreske, witte gebouwen, golfbanen en glimlachende ouderen met cocktails in de handen. Anneke kreeg het spontaan benauwd.
“Zo oud ben ik nog niet,” zei ze beslist.
“Mam, het is voor jouw welzijn.” José stond met twee handen op de tafel. Ze had haar jas nog aan. Anneke vermoedde dat ze niet zou blijven voor de thee.
“Ik red me hier toch? Ik ben geen blok aan je been, lieverd, niet zoals Hannah van 4A dat is bij haar zoon.”
“Mam.”
“Nee.”
In een poging haar woorden kracht bij te zetten stond Anneke op. Ze keek José recht aan. Nu, zo, daadkrachtig en eigenwijs, zag ze toch een beetje van zichzelf.
“Mam.”
Anneke begaf zich naar de keuken. Ze schonk een mok en een glas thee in (haar favoriete mok kon ze nergens vinden). Toen ze terugkwam was José er niet; ze hoorde nog net de deur sluiten in de hal. De folders lagen nog altijd op de salontafel, in een waaier. Anneke ging er met een zucht bij zitten en staarde een tijdje naar het veel-te-heftig-glimlachende gezicht van een oude pruim met lippenstift.
De bonk van boven deed Anneke opschrikken en daarmee vloog de inhoud van haar mok over tafel. De folders? Doorweekt. Jammer, zeg!
Haar handen afkloppend aan haar jurk en zo snel als haar mindere heup haar dragen kon baande Anneke zich een weg naar de zoldertrap. Ze hees zichzelf met hernieuwde kracht omhoog en knipte boven het lampje aan.
De boom was weg. De kurken lagen er nog; in precies dezelfde hoop als hoe ze ze op die namiddag begin Juli gevonden had, maar de boomvorm was eruit. Anneke haalde zich de krullende takken voor de geest die de illusie wekten op zichzelf te staan maar eigenlijk aan de schuine balken van het dak waren bevestigd met wat slim denkwerk en één of twee vissersdraadjes. De uren werk. Hoe de huid van haar wijsvinger en duim nog een week erna gevoelig was van alle vastlijmingen.
“Wil jij óók dat ik wegga?” prevelde ze tegen de berg kurk. Meteen voelde ze zich een beetje stom; kurken hadden over het algemeen geen mening over mensenzaken. En toch, ook toen ze die nacht haar geurkaars uitblies en in bed kroop, kon ze het gevoel dat dit huisje afscheid van haar aan het nemen was niet van zich afschudden.
Drie ochtenden erna, terwijl buiten de dakgoot overstroomde door de harde regen van die week en Anneke op het punt stond om het nummer op de folder met golfende ouderen te bellen, klonk er van zolder opnieuw een geluid. Een gerommel. Anneke bedacht zich deze keer geen seconde en haastte zich met ongewone soepelheid naar boven. Al voordat ze het lampje aanknipte zag ze dat er iets anders was, maar toen het oude licht aansprong al helemaal.
Een boot.
Een kurkenboot.
Er stond een kurkenboot op zolder.
Een tel of vijf bleef ze staan, haar hand nog om het touwtje van het zolderlampje. Toen bewoog ze langzaam dichterbij, niet zeker of de nervositeit die ze voelde nu kwam door het vreemde van dit alles óf uit een angst om met haar aanwezigheid ook dit kunstwerk in te laten storten. Ze bekeek het gevaarte van mast tot romp. Ze inspecteerde het lijmwerk en het snijwerk en kwam tot de vreselijk interessante conclusie dat dit bootje precies gebouwd was hoe zij het ook zou doen.
In de komende dagen werden er door Anneke geen verzorgingstehuizen gebeld. Ook hing ze, voor het eerst in haar leven, een telefoontje met José op. Het voelde wat onwennig, en tegelijkertijd had ze nu iets belangrijkers aan haar hoofd.
Het bootje was de volgende dag ingestort. Teruggegaan naar zijn voormalige staat; de kurkenberg. De volgende ochtend stond er weer iets anders. Een toren, deze keer. Het gevaarte deed haar een beetje denken aan de Domtoren in Utrecht. Bij de gedachte aan al die trappen ging haar slechte knie al zeuren. Ze inspecteerde opnieuw het bouwwerk en voelde een glimlach haar lippen krullen.
“Magnifiek bouwwerk,” prevelde ze tegen niemand in het bijzonder.
Toen ze die avond opnieuw een berg kurken ontdekte met geen spoor van lijmresten en ook geen boom of boot of toren, bedacht Anneke Lauwers met haar ijzersterke cognitieve functie het volgende: Als de kurken s ’avonds niets zijn, en s ‘ochtends iets, wordt er dus s ’nachts gebouwd.
“Dan wordt er dus s ‘nachts gebouwd,” fluisterde ze tegen zichzelf toen ze om 03:00 uur de zoldertrap beklom. Het hele huisje bleef afwachtend stil.
De zoldertrap kraakte zeurderig terwijl Anneke de laatste trede beklom. In het halfdonker zag ze het meteen, ook met het kleine beetje maanlicht dat er hing:
Een kurken stoel. Een troon. Nog maar half af. Een deel van de zitting miste nog, en een hap uit de met spijlen gedecoreerde rug. Er werd hier nog gebouwd, bedacht ze.
“Ben je daar?” vroeg ze. Meteen voelde ze zich een beetje dom. Sta je dan, te praten tegen de kurken op zolder—dat kan ook in een tehuis, hoorde ze José in haar achterhoofd zeggen. Anneke kreeg nét het idee dat er absoluut niks van zou komen en ze toch maar het nummer in die minst afstotelijke folder zou moeten draaien als het ochtend werd, toen er een stem klonk uit de donkerste hoek van de zolder.
“Het is nog niet klaar.”
“De troon?”
“Ja. Je kan al zien dat het een troon wordt, dus.”
Anneke knikte en liep voorzichtig en tegen beter weten in een stukje dichterbij. Ze inspecteerde het bouwwerk en herkende onmiddellijk het vakmanschap van de kurkenboot en de kurkentoren.
“Je bent hier goed in, joh!” zei ze. Even was het stil in de hoek. Toen sprak het ding in het donker weer, fluisterend en hoog, een stem bijna als die van een kind. Maar dit is geen kind, wist Anneke. Ze kon niet verklaren waarom, maar wat er ook in de hoek zat was niet helemaal mens. Niet helemaal van hier.
“Niet het licht aan doen. Het is nog niet af.”
Anneke knikte opnieuw. Ze bleef zitten waar ze zat en vroeg zich af of ze het licht alleen daarom niet aan mocht zetten.
“Wie ben je?” vroeg ze, nadat het een tijdje stil was geweest. Ze hoorde een geschuifel in de hoek; het verplaatste zich wat dichter naar het bouwwerk toe.
Wat dichter naar haar toe.
“Ik ben de bewoner van dit huis.”
“Maar dat ben ik ook, lieverd.” Anneke probeerde haar stem zo zacht en veilig mogelijk te laten klinken.
“Jij bent de mensbewoner. Elk huis heeft die, maar elk huis heeft ook een van ons. Dat is zo, ja. Ja.”
“Wat zijn jullie?” Anneke zocht met haar ogen in het donker naar een silhouet, maar verder dan de kennis dat daar íéts moest zitten kwam ze niet.
“Wij wonen in alle huizen. Verplaatsen kopjes. Bouwen kurkentorens. Maken schoon. En vies. Stelen sokken.”
Anneke lachte nu luidkeels en klapte in haar handen.
“Dat zijn júllie!”
“Maar altijd maar één sok,” zei het ding in het donker. Voor het eerst kon Anneke iets van gegiechel bespeuren in de stem. Ze giechelde mee.
“Altijd maar één sok,” stemde ze in.
“Mag ik blijven?” De stem was opeens een stuk dichterbij, helemaal aan de andere kant van de zolder dan waar ze hem tot nu toe had gehoord. Nog altijd zag ze niks—of toch? De glinstering van ogen, of van iets anders dat glinstert? Anneke dacht aan de folders op de bijzettafel, aan de uniform deprimerende kamers van verzorgingstehuizen en dat ze haar maar uit appartement 3B aan de Laurierlaan zouden moeten dragen als ze dood was. Eerder ging ze niet.
“Heb je ooit met ijsstokjes gebouwd?” vroeg ze.
Finaletekst | Morris of De Dood
De Dood staat op de hoek van een naamloze straat en stampt zijn sigaretje uit. Het was inderdaad een sigaret-je, want hij had de eerdere helft reeds de vorige avond opgerookt onder de voorgevel van The Opera Bar, een café uit New Orleans dat zowel musicalmuziek als operettes uit de oude speakers laat barsten.
Overigens wil ‘de Dood’ liever niet zo aangesproken worden, dat is wat ouderwets. Momenteel wordt hij het liefst Morris genoemd; een goede naam voor een onopvallende man, óf voor een dikkig mopshondje. Dat is dan ook wat hij is, zo op de hoek van die straat. Geen dikkig mopshondje, maar een onopvallende man die onopvallend zijn halve sigaret platdrukt met de zool van zijn lakschoen. In combinatie met zijn sjofele, bruine pak en driedagenbaardje doet alles hem nog het meest denken aan een uitgerangeerde blueszanger, eentje die eigenlijk alleen nog I’d Rather Go Blind van Etta James neuriet wanneer hij zich écht vrolijk voelt.
“Jezus, wat is het laat,” mompelt hij tegen zichzelf terwijl hij zijn handen diep in de zakken van zijn jasje steekt. De linker wijsvinger komt er ook direct aan de andere kant weer uit, door het gerafelde gat dat daar al eeuwen zit. Een moment of twee nog blijft Morris staan, rug tegen de bakstenen muur van deze straat die elke straat had kunnen zijn, en overpeinst hij zijn avond. Overpeinzen kan hij goed. Zó goed dat hij het op zijn CV zou zetten als hij er een zou hebben. Of het überhaupt iets is wat je op een CV zet, dát weet hij eigenlijk niet. Hij heeft nog nooit gesolliciteerd.
Slechte timing zou er ook op kunnen, bedenkt hij zich terwijl hij de moed verzamelt om te gaan lopen. Het is al laat. Bijna avond. s’ Avonds begint het werk.
Men denkt wellicht dat de Dood, Morris dus, alle dagen werkt. Elk uur van elke dag, elke minuut van elk uur en zelfs op meerdere plekken ter wereld tegelijkertijd. Dát is echter een onrealistische arbeidsverwachting met een absoluut barbaarse werkweek, en dus heeft Morris het teruggebracht naar een nachtelijke wandeling in een naamloze stad. Een stad waar alle straten op elkaar lijken en maar sporadisch namen hebben; een stad waar de straatstenen je het gevoel geven je vooruit te duwen als de wind in je rug, om het lopen te vergemakkelijken
Morris loopt de hele nacht, elke nacht weer. Hij loopt geen vaste routes; vaste routes zijn er niet. Hij rookt af en toe een sigaretje, mits hij er een kan vinden in een van de vele binnenzakken van zijn jasje. Meestal vindt hij niks, soms een verlopen kaartje voor een bioscoopfilm met Robert deNiro. Maar zoiets is moeilijk te roken.
Ook deze avond begint hij met lopen, schoorvoetend en schoenslepend. Het begin is het ergst, houdt hij zichzelf voor, maar hij weet dat ook die opmerking—de Dood excuseert zich mompelend voor zijn taalgebruik—gelul is. Het begin van de nachtwandeling is enkel lopen; voet voor voet, tot hij bij een splitsing komt, links of rechts én alles weer van voor af aan. Bijna hoe mensen wandelen. Nee, hoe verder de nacht vordert en hoe dichter hij het eind ervan nadert, dát is het ergst. Met de naderende opkomende zon komt de keuze, en de keuze maakt hij niet graag.
De eerste mogelijke optie onthult zich in een appartement driehoog, waarlangs klimop wanhopig een poging doet pittoresk te groeien maar de bladluizen de arme plant telkens terugdringen. Morris beklimt de brandtrap en kijkt door het raam. Warm licht stroomt naar buiten. Hij gluurt de woonkamer van dit koppel in; hij gluurt hun leven binnen, eventjes, zonder geluid te maken of zijn voeten te vegen. Hij ziet twee vrouwen ronddansen, jong, eind twintig nog maar, met wijnglazen voller dan in restaurants. Op de TV is een remake van een Koreaanse horrorfilm te zien. Morris is zelf geen fan van horrorfilms, dus kijkt hij niet lang naar het toestel. De twee vrouwen houden elkaars handen vast. Ze houden al heel lang elkaars handen vast. Morris sluit zijn ogen en stelt het zich voor; het ziekenhuisbed, zij die de hand van haar vriendin nog altijd vasthoudt, nu met verkrampte vingers en betraande ogen. De dokter die haar haast geluidloos vertelt dat het tijd is om afscheid te nemen. Geen Koreaanse horrorfilms of macaroni met kaas uit de oven meer. Een kort ziekbed na een acute leverontsteking, met een tijdstip van overlijden van tien over half drie s ’nachts.
Morris voelt zijn slechte knie steken wanneer hij weer via de brandtrap afdaalt. In deze optie heeft hij geen zin; de hele weg naar beneden schudt hij afkeurend zijn hoofd. Hij wil nog omhoogkijken, maar het appartement bevindt zich alweer waar het thuishoort en ergens in een buitenwijk van Lissabon kijken twee vrouwen zorgeloos naar een televisie, waarop een demoon een gezin van vier terroriseert.
Onze sjofele voorbijganger loopt door. Uiteindelijk vind je vast wel iets, houdt hij zichzelf voor. Hij passeert de ene na de andere optie. Een man van zesennegentig, slapend in een luie stoel met een boek op zijn schoot (boekenlegger op pagina 2). Morris kijkt en concludeert; hartfalen, vijf voor vijf ’s ochtends, nog vóór de ochtendkrant. Nee. Volgende. Een vrouw in een ziekenhuis, meer infusen in haar lijf dan haren op haar hoofd, maar met een hand vastgehouden door elk van haar kleinkinderen; rustig inslapen na een te lang ziekbed, twee over twaalf. Morris blijft staan en kijken. Hij kijkt hoe de familie rouwt, hoe ze oma uitstrooien boven de Grand Canyon en lachen omdat een deel van de as blijft plakken aan een net geverfd NO TRESPASSING bordje, en bijna maakt hij de keuze. Bijna knikt hij kort met zijn gehavende hoofd en kan de zon opkomen in de naamloze stad.
Hij doet het niet.
Hij wíl het niet.
Morris loopt zó baldadig door dat de straatstenen ervan rammelen.
“Geen van hen,” fluistert hij. Hij zegt het nogmaals, om het meer kracht bij te zetten. Elke nachtwandeling is zo, dat beseft hij ook, en tóch voelt deze anders. Misschien komt het door het warme licht uit dat eerste appartement of is hij geschrokken van de enge film, maar hij beschikt momenteel over geen enkele wilskracht om de keuze te maken. En toch.
Wanneer de zon op het punt staat op te komen, wanneer het enige wat die grote, arrogante bal vuur in de lucht nog tegenhoudt een simpele keuze is van een man in een versleten pak, slaat Morris een hoek om en stuit hij op een zeldzaam zicht in de koele nacht: een open deur.
Midden in een verder lege wand, een wand die toebehoort aan een naamloos bedrijfspand dat waarschijnlijk ergens in Tokyo of NYC staat, waar talloze mogelijke opties op dit moment in hokjes zielloos financieel werk zitten te doen, opent zich de deur van een kinderkamer. Het is zeker weten een kinderkamer. Dit weet Morris nog zekerder wanneer hij de deur nadert: op de binnenkant zijn grote stickers geplakt van cartooneske dinosauriërs, allemaal met hun tong uit hun bek en grote, blije ogen, en op de vloer voor de deur liggen een aantal Lego-blokjes. Als getrokken door een onzichtbaar touwtje beweegt Morris de drempel over.
Morris gaat nooit de drempel over, moet je weten. Nooit.
De jongen aan wie de kamer, de extreem vrolijke dino’s én de Lego-blokjes toebehoren, zit rechtop in bed. Hij heeft warrig bruin haar en zit onder de sproeten, en wrijft op dit moment in zijn ogen voordat hij de man die voor hem staat opmerkt en verward aankijkt. Morris steekt zijn hand uit en bedenkt zich dan dat hij al eeuwen geen menselijk contact heeft gehad, laat staan met een kind. Snel trekt hij zijn hand terug.
“Wie ben jij?” vraagt de jongen in het bed. Het dekbed staat ook vol met dino’s, maar deze zijn fotorealistisch en lijken hun tanden richting Morris te ontbloten.
“Morris,” zegt hij zonder nadenken.
“Ik heet Jip.” En dan: “Je staat op m’n Lego.”
Morris verzet zijn voet. Hij kijkt naar de vloer; het Lego-blokje is ongedeerd.
Sterk spul.
“Jij staat vaker voor mijn raam,” zegt de jongen dan. De dekens zijn ietwat van hem afgegleden, en zodra Morris de uitgemergelde armpjes onder de pyjama ziet begint het te dagen. Jip was al drie keer eerder een optie. Acht over twee s’ nachts, drie uur s’ middags stipt, veertien over vier.
“En nu ben je binnen,” zegt Jip, meer een constatering dan iets waar hij verdrietig om is. Morris verbreekt nog een protocol en gaat aan het voeteneind van het bed zitten. De latjesbodem kraakt onder zijn non-stoffelijke gewicht.
“Ben je niet bang?”
“Om dood te gaan?” vraagt Jip. Kinderen hebben altijd door wat er aan de hand is, bedenkt Morris zich met een zucht. Jip lijkt even na te denken en schudt dan met zijn hoofd, beslist en zo hard dat zijn haren nog even na schudden zodra hij stopt.
“Ik heb vandaag een vette toren gebouwd,” zegt hij dan, wijzend op een meterhoge creatie in de hoek, bestaand uit honderden Lego steentjes, kleurrijk en innovatief op een manier dat moderne architecten ervan zouden wanhopen.
“En dus is het prima?” vraagt Morris, nu actief op zoek naar verzet of protest. Dit kind zit tegenover hem met een brede glimlach en een infuus in zijn nachtkastje, blij omdat hij een gave toren heeft gebouwd.
“Ik kan deze keuze toch niet blijven maken,” verzucht Morris dan. Hij laat zijn hoofd in zijn handen vallen en wrijft over zijn slapen met het gewicht van veertien eeuwen. Hij is toe aan vakantie.
“Doe dan niet.”
“Hè?” Morris kijkt op. Jip is bij zijn toren gaan staan en klikt er nog een Lego blokje op. Dan doet hij een stap achteruit en knikt hij tevreden.
“Als ik een stomme keuze moet maken maar ik die niet wil maken, doe ik het niet. Dan ga ik een toren bouwen, of een boot.”
Morris vraagt zich met een scheve glimlach af hoeveel torens en boten Jip al gebouwd heeft.
“En als je dan in de problemen komt?”
Jip haalt zijn schouders op. Morris beseft dat dat gebaar weleens meer zou kunnen zeggen dan alle filosofen uit de gehele twintigste eeuw. Dan slaat hij vastberaden op zijn knieën, voelt hij zijn slechte knie opnieuw steken, en staat hij op. Hij loopt beslist naar de deur en opent hem. Voordat hij helemaal naar buiten stapt draait hij nog even om. Jip gaapt.
“Het is écht een gave toren.”
Jip glimlacht breed. Morris verlaat de kamer en sluit de deur zacht, zo zacht dat de ouders van Jip in de kamer ernaast, met een directe lijn met het ziekenhuis en een babyfoon op Jips kamer omdat het al zó vaak mis is gegaan, voor het eerst in tijden een rustige nacht hebben.
Morris loopt een brede straat in die hem ergens, vaag, doet denken aan de Champs-Élysées, en fluit een liedje van Etta James waar hij het refrein wél van kent.
